De oorsprong van de titel ‘In het midden’ is mij onbekend; staat deze rubriek al jaren in het midden van dit blad? Of hebben ooit de redactieleden gedacht er moet toch wel zeker één rubriek zijn waarvan we zouden kunnen zeggen: “Laat dat nu maar in het midden …” Al associërend kwam ik tot wat liederen waarin we zingen over ‘een God in ons midden’, Lied 906 uit het Nieuwe Liedboek of uit ons blauwe liedboek; ‘Kom in ons midden’, Lied 226 of ‘Midden in wat mensen zijn, heeft Hij willen wonen’, uit Lied 528 uit het Nieuwe Liedboek.

Nog meer associaties floepten op en zodoende kwam ik uit bij het werk van de Frans/Joodse filosoof Emanuel Levinas (Litouwen 12 januari 1906 – Parijs 25 december 1995).
Levinas is de pleitbezorger voor wat hij noemt ‘de horizontale religiositeit’, waarin God dus niet boven ons staat (verticale religiositeit) maar op aarde is terug te vinden in het gelaat van de weerloze ander. Wanneer ik het appèl beantwoord dat de ander op mij doet, dan zie ik God in het gezicht van die ander. In deze verkorte weergave weerspiegelt zich de joodse afkomst van Levinas .
Opgegroeid in de leer van de Thora, begreep hij al heel vroeg dat het in het leven om ‘de Ander’ draait. De eerste vijf boeken van de Bijbel (Genesis, Exodus, Leviticus, Deuteronomium en Numeri) bevatten voorschriften om tot een relatie met God te komen maar bevatten zeker ook voorschriften om via de relatie met die God een verbond te hebben met de naaste, met de ‘Ander’.
Levinas schrijft de Ander, de medemens, altijd met een hoofdletter. Vaak heeft Levinas het ook over Egologie (niet ecologie) en Ontologie. Egologie is de denkwijze die het ‘ik’ centraal stelt en waarbij de ander wordt ingekapseld ten gunste van het ‘ik’. Ontologie is de denkwijze dat de mens onderworpen is aan het lot, dat mensen een speelbal zijn van het lot; hen overkomt iets waar ze part noch deel aan hebben.
Tussen deze twee uitersten plaatst Levinas zijn filosofie van de ‘Alteriteit’, oftewel het inzicht dat de het anders zijn van de Ander onophefbaar is en dat de verschijning van het weerloze gelaat van die Ander mij ertoe kan bewegen de zorg voor en van het eigen ‘zijn’ te doen vergeten . Vandaar de woorden van horizontale religiositeit (of voor mijn part ‘religieuze horizontaliteit‘). Die denkwijze bevalt mij. Het beeld van God wordt 180 graden omgedraaid. Het beeld van de almachtige God, die alles in de hand heeft en alles bestuurt van boven af wordt als het ware ‘omgesmolten’ tot een beeld van de God van de naastenliefde, een beeld van de hoogste liefde, een beeld van een God die bemiddelt tussen de ene en de andere mens, een God in het midden!

Cees de Gooijer