Het is zomer, voor veel mensen de tijd om op vakantie te gaan. Bij Schiphol (en vele andere luchthavens) staan lange rijen vakantiegangers. Op weg naar de zon. Niet dat die zon hier niet komt als je de voorspellingen mag
geloven. Ons staat een hittegolf te wachten van minstens twee weken. Aldus een aantal meteorologen.
Wij blijven wat dichter bij huis. We nemen geen vliegtuig, maar gaan met de auto. Een paar uur rijden en we zijn op de plek van bestemming. Nou ja, net na de zomer. Want zonder kinderen hoeven we geen rekening te houden met schoolvakanties.
Op vakantie gaan is fijn. Even weg uit je eigen vertrouwde omgeving. Nieuwe dingen zien, horen, ruiken. Energie op doen, nieuwe ideeën krijgen. Of misschien wel tot de ontdekking komen dat het thuis ook fijn is. Want hoe fijn ik op vakantie gaan ook vind. Ik vind het net zo fijn om thuis te komen.
Dat had ik als kind al, zo sterk dat ik niets en niemand van thuis wou horen. Zodra ik mijn vader of moeder hoorde had ik maar één wens. Zo snel mogelijk naar huis. Hoe fijn het ook was bij opa en oma, op schoolkamp of bij een vriendinnetje. Ik had (en heb nog steeds) last van heimwee. Ik verlang naar thuis en naar het bekende.
Maar wat nou als je heimwee hebt, naar huis wilt, maar het kan niet. Ik moet denken aan de verhalen die ik hoor over Oekraïense vrouwen die graag naar huis willen. Naar hun man die is achtergebleven, naar hun zoon. Naar hun eigen huis, dat altijd een thuis is geweest. Een veilige plek. Ook al weten ze dat het er nu niet veilig is. Toch verlangen ze er naar. Ze verlangen ernaar weer naar huis te gaan. Een leven op te kunnen bouwen in hun vertrouwde omgeving, met de mensen van wie ze houden. Verjaagd van huis en haard. Het is iets wat we ook in de Bijbel lezen. Joden die in Babylon wonen, voelen zich daar niet thuis. Ze zijn er vreemden. Ze verlangen naar Jeruzalem hun heilige stad, hun thuis. Ze schrijven hierover liedjes van verlangen, van heimwee. Ze richten zich tot God.
Bij Hem kunnen ze ook thuis zijn. Daarvoor hoef je niet in je eigen land te zijn. God nemen ze immers altijd met zich mee, in hun hart. Waarheen ze ook gaan. Ze zoeken toevlucht bij God.

Ik krijg na een dienst op zondag het zomercadeau dat bij de Visie (een blad van de EO) zit, aangereikt door een gemeentelid. “Ik denk dat jij er wel wat mee kan.” Het is een blad waarin 25 psalmen staan beschreven, herschreven zijn en waar prachtige beelden bij zijn gemaakt. Thuis blader ik het door en kom een gedicht tegen over heimwee. “Heimwee in mijn hart.” Want dat is waar heimwee zit. Het is niet iets wat rationeel te verklaren is, het gebeurt gewoon. Het is een gedicht dat vraagt aan God om de heimwee te blijven voeden. Om de heimwee naar God zelf te voeden. Om zo op zoek te blijven en te ervaren wat werkelijk ons thuis is.


Heimwee in mijn hart
Er huist een heimwee in mijn hart.
Soms is het maar een waakvlam
en voel ik me ontzettend thuis.
Ik blijf dan lekker zitten.
Maar net zo vaak vlamt het weer op
en brandt er iets van binnen:
een sterke notie dat mijn heim
nog zucht in barensweeën.
Mijn thuis, mijn kracht, mijn veiligheid
is nog maar pas ontloken.
Het is zo’n klein en pril begin
dat ik het nog maar net kan zien.
Dat heimwee is nu mijn kompas;
het wijst mij nieuwe wegen.
Ik word een pelgrim, onderweg
naar voedsel voor mijn thuis.
Hoe verder ik mijn hart nareis
hoe sterker het verlangen.
Mijn heimwee wordt een brandend vuur
om steeds meer thuis te komen.
En om mijn thuis te laten groeien,
een heim voor wie er nog geen heeft,
een dak voor pelgrims, net als ik,
met heimwee in hun hart.
Ene, Eeuwige, Omschaarde,
blijf mijn heimwee voeden.
Blijf mijn thuis, mijn veiligheid –
dan blijf ik naar U reizen.
Er huist een heimwee in mijn hart,
het is geplant van boven.

Uit: Geijkt op deze grond; 25 Psalmmomenten; Pieter-Jan Rodenburg
Bij: Psalm 84

Dora de Vrij