Opruimen

Nog een week, dan begint de Veertigdagentijd. Nou ja, tegen de tijd dat u dit stukje leest zitten we er middenin. Waar de Veertigdagentijd lange tijd weinig aandacht kreeg in de vrijzinnige traditie, is daar de voorbije jaren een kentering in gekomen. Mogelijk heeft dat te maken met de toenemende aandacht voor de Veertigdagentijd als tijd van bezinning en inkeer. Niet langer wordt de Veertigdagentijd louter geassocieerd met vasten, maar meer en meer ook met inkeer en bezinning. Veel mensen kiezen ervoor om die periode bewust bepaalde dingen te laten staan. Ze drinken veertig dagen geen koffie, of geen alcohol. Ze laten de koekjes staan, of de snoepjes. Nu eet ik vrijwel nooit koekjes, drink ik geen koffie en blijft de alcohol beperkt tot pakweg één lekker biertje of één glaasje wijn per week, dus moet ik serieus gaan nadenken wat ik laat staan. Oké, toegegeven, een stukje chocolade van 85%, elke dag bij mijn ontbijt, dat zou ik wel missen. Maar ik heb besloten een andere invulling aan het vasten te geven.

Ik wil gaan opruimen. En met opruimen bedoel ik dan ook ‘definitief’ opruimen: dingen wegdoen. Opruimen, zo is mijn stelling, schept ruimte: niet enkel in je huis, maar ook in je hoofd. En voor mij is opruimen een grotere uitdaging dan veertig dagen geen chocolade. Dingen echt wegdoen, dat gaat mij niet makkelijk af. Boeken wegdoen, al staan ze al jaren in de kast te verstoffen en heb ik ze nog steeds niet gelezen, ik kan het maar moeilijk over mijn hart verkrijgen. Ik bewaar ook eindeloos oude kledingstukken (tenslotte weet je nooit wat je nog kunt maken van een oude broekspijp), stukken hout (altijd handig als je iets te timmeren hebt) en ik heb eindeloos veel recepten uit oude Allerhandes van gerechten die ik ooit heb willen uitproberen. En dan heb ik ook nog zo’n tien koekenpannen om al die recepten te kunnen bereiden.

Maar wegdoen is zo definitief, het is zo onomkeerbaar. En dat vind ik lastig. Ik ben bang dat ik later spijt krijg als ik iets wegdoe. Tegelijk kun je je afvragen of dat niet bij veel meer zaken in het leven hoort – en uiteindelijk ook bij het leven zelf. We moeten in het leven afscheid nemen van dromen, van verlangens, van illusies. We moeten afscheid nemen van dierbaren en uiteindelijk moeten we afscheid nemen van het leven zelf.

Als we in staat zijn daadwerkelijk los te laten – en het verdriet een plek kunnen geven – dan ontstaat er misschien ook ruimte voor nieuwe, onvermoede perspectieven en kansen. Nu is dat niet mijn doel de komende periode. Het is mij puur en alleen te doen om de activiteit van het opruimen en het loslaten. Afstand nemen, letterlijk ruimte maken, dat is op zichzelf een heilzame activiteit, dat hoeft in eerste instantie voor mij nu niet iets nieuws op te leveren. Het nadenken over wat ‘echt loslaten’ is, maakt mij echter beschroomd, want waar heb ik het helemaal over. Dat opruimen van mij valt in het niet bij het echte loslaten wat anderen moeten doen.

Eigenlijk ben ik een bevoorrecht mens, dat ik de Veertigdagentijd kan gebruiken als een oefening in loslaten. Ik mag op mijn eigen tempo afstand doen van die dingen waar ik ook wel afstand van kan doen. Niets wordt mij zomaar ontnomen en als het me even teveel wordt, dan kan ik gewoon een dagje de vasten breken. Het zet mij echter wel aan het denken. En ik stel mijzelf de vraag wat ik nu daadwerkelijk weet over loslaten en verlies. Opruimen, afstand doen en loslaten verandert zo van een praktische opdracht in de vraag of ik ook in staat ben om met de kwetsbaarheid en de vergankelijkheid van het leven om te gaan.

Het doet mij beseffen dat ik voorzichtig en weloverwogen te werk moet gaan bij het opruimen. Laat ik er niet te makkelijk over denken. In ieder geval denk ik nu, dat ik de boeken over vergankelijkheid, kwetsbaarheid en loslaten nog maar even in de boekenkast laat staan.

Fulco van Hulst