De dood van de sprookjesverteller

Er was eens een sprookjesverteller en die ging dood. Hij had zijn hele leven lang over kabouters verteld en nu wilde hij, voor zijn dood, nog een kabouter zien, een werkelijke kabouter. Hij zocht in de provisiekast, in de ontbijttrommel, onder het buffet, maar er was nergens een kabouter te vinden. Nu begon de sprookjesverteller te wenen: Ach, lieve God,” sprak hij, “ze zijn op. Er is er geen eentje meer! Ik heb mijn hele leven vast geloofd dat er kabouters waren, maar nu zie je wat je er van denken moet. Hij heeft toch gelijk gehad, de kruidenier van hiernaast die mij altijd zo uitlachte. Nu heb ik niets meer van het leven te verwachten.”
En de sprookjesverteller kroop in bed, blies de kaars uit en wachtte op de dood. Doch de dood kwam niet; hij was de verkeerde weg ingeslagen en liep nu te mopperen om het huis heen.
“Woont hier de sprookjesverteller?” riep hij door het raam.
“Ja, Dood!” antwoordde de sprookjesverteller van uit de bedstee, “kom er maar in! Maak het kort! Alle aardigheid is er toch voor mij af. Pas op voor de drempel, daar zit een plank los.”
“Je bent een rare,” hernam de Dood, zich over het bed buigend, “verlang je naar mij? De mensen zijn altijd bang als ik binnenkom. Vind je het prettig, dat ik er ben?”
“Jawel,” antwoordde de sprookjesverteller glimlachend, “ik vind het heel prettig, Dood.
De kabouter wil niet komen en daarom ben ik blij dat jij komt. Of het een, of het ander.”
“Wat zit je nu toch te praten van een kabouter?” sprak de Dood verbaasd, “je bent toch een echte sprookjesverteller, waarlijk. Onderzoek liever je geweten, denk eens aan je zonden en aan de eeuwigheid. Dat zijn nuttige gedachten. Ik zal zo lang wat in de tuin rondlopen. Je roept wel als je klaar bent.”
De sprookjesverteller lag nu op zijn rug naar de zoldering te kijken en deed wezenlijk zijn best aan zijn zonden en aan de eeuwige straf te denken. Maar het vlotte niet erg; telkens kwam de gedachte aan de kabouter er tussen. “Lieve Heer,” bad hij tenslotte, ik ben maar een arme sprookjesverteller met weinig verstand. Wees niet boos om die ene wens, de enige die ik heb: laat mij toch een kabouter zien!”
Maar de kabouter kwam niet. De sprookjesverteller wachtte en wachtte; toen draaide hij zijn hoofd om en keek door het tuinraam; de Dood stond daar, naast het rozeboompje, en knikte hem toe.
“Kom maar,” riep de sprookjesverteller, “kom maar, Dood!”
En de Dood kwam.
En hij nam hem in zijn armen en legde hem voor Gods voeten.
“Wie is dat?” vroeg God. “Dit is een sprookjesverteller,” antwoordde de Dood, “hij is zojuist gestorven.”
“Wat was zijn laatste gedachte?” vroeg God. “Hij wilde een kabouter zien,” antwoordde de Dood verlegen.
God glimlachte.
“Dat is een zeer goede gedachte,” zeide hij., “laat hem derhalve binnen.”

Godfried Bomans, Sprookjes. Amsterdam/Brussel, Elsevier, 1962.