In IN HET MIDDEN van het vorige ‘clubblad’ – de term is van redacteur Frits Hofmeijer – stelt onze predikant Cees de Gooijer de vraag naar de herkomst van de naam van deze rubriek. Ik heb zelf geen flauw idee, de naam was er al bij het eerste nummer dat ik in handen kreeg. Dat moet al in 2002 zijn geweest. De Dagen van Olim dus.
Ik houd het er maar op dat met IN HET MIDDEN wordt bedoeld dat hier iemand iets naar voren kan brengen, iets in ons midden brengen. Dat wil ik graag doen. Het is geen ‘leuk onderwerp’ maar dat hoeft toch niet? “Geheugen, spreek” schreef Nabokov eens. Hier komt mijn verhaal: Als je als zevende kind in een groot gezin wordt geboren kun je er tegenwoordig wel een beetje van uitgaan dat je te Zijner tijd ook als een der laatste het tijdelijke voor het eeuwige verwisselt. Ons gezin telde negen kinderen. Ik heb inmiddels zeven broers en zussen mede ten grave gedragen, soms letterlijk. De laatste keer ging het bijna mis, maar gelukkig was daar een telg uit volgende generaties die mij letterlijk en figuurlijk op de been hielp. Dat was wel weer mooi. In mijn grote familie ging het verhaal dat toen mijn vader twintig jaar was, hij al zes broers en zussen had begraven. Hijzelf was er een uit een gezin van twaalf kinderen die allemaal al wel minstens acht jaar oud waren geworden. Wat doet het met een kind als het diverse sterfbedden heeft meegemaakt? Kleine huizen waar ‘de tering’ (= tbc) bleef voortwoekeren in benauwde alkoofjes. Ik heb het nu over de jaren 1900-1920. Diverse oudere zussen van mijn vader heb ik redelijk goed gekend en allemaal kregen ze nog steeds een brok in de keel als ze vertelden over hun jongste broertje, ‘kleine Leen’. Diens sterfbed was vreselijk geweest, het ventje werd maar zeven jaar.
In deze tijd waarin gezinnen lang niet meer zo omvangrijk zijn, dreigen we te vergeten hoe groot de rol van de broers en zussen kon zijn. Het viel me de laatste jaren op dat bij sommige uitvaarten broers en zussen van de overledene niet eens meer als zodanig aangesproken worden. En dit terwijl in het leven van de overledene vooral zij het waren die hem of haar de eerste, pakweg, twintig jaar hadden meegemaakt. Het ‘horizontale’ in de stamboom krijgt steeds minder nadruk dan de verticale lijn van grootouders-ouders-kinderen. Dat doet pijn, zo’n feitelijke ontkenning van een stukje levensgeschiedenis. Ik maakte nog onlangs een uitvaart mee, compleet met een diapresentatie van het leven van de overledene. Verzorgd door de kinderen. Die begon met een verdwaalde babyfoto, werd razendsnel vervolgd met een kiekje van de middelbare school, en de studententijd werd geïllustreerd met een foto van jongelui in jacquet en grijze streepjesbroek, waarna het ‘echte leven’ kon beginnen met babyfoto’s van de volgende generatie… En die paar nog levende broers en zussen, samen in de kerkbanken, keken elkaar even aan, met hun eigen herinneringen aan elkaar. Spreken deden ze niet, er was maar beperkt tijd. En toen was er koffie…

JanAnton Burger