Wandelen over (on)gebaande paden

De Veertigdagentijd, de tijd voor Pasen, is een tijd van bezinning. Een vriendin van mij, die altijd druk druk druk is met werk, gezin, opleiding en vrijwilligerswerk, heeft daar een eigen methode voor. Ze wandelt, in haar eentje, en in de natuur. Het liefst struint ze door de bossen. Het vliegt haar weleens aan dat haar leven zo enorm georganiseerd is. Neem nou haar woonomgeving. Ze woont in een nieuwbouwwijk in het westen van het land. Maar of het bij ons in het oosten zoveel beter is? Wij leven nu eenmaal in een aangeharkte wereld. Ook de natuur is daarin keurig ingeperkt binnen een ‘ecologische hoofdstructuur’. Willen we ons in de natuur ontspannen, dan doen we dat allemaal op onze eigen manier op het ruiter-, mountainbike- of wandelpad.
We kennen geen woeste natuur meer, laat staan de woestijn, de plek waar Jezus zich vaak terugtrok om zich te bezinnen. En toch nodigt een reis naar buiten mijn vriendin als vanzelf uit tot een reis naar binnen. Ook het wandelen over gebaande paden kan je inspireren om na te denken over het leven. Het verhaal over de gang die Jezus maakt, van Galilea naar Jeruzalem, vanuit zichzelf naar anderen, vanuit de strijd naar overgave, kan vragen oproepen naar je eigen levensgang. Misschien kennen we niet het ruige landschap van het oude Israël, maar herkennen misschien het innerlijke landschap waar het in de bezinning om gaat. Het landschap van onze ziel. Want daartoe nodigt deze tijd, denk ik, uit: om een kijkje te nemen in het landschap van onze eigen ziel. Om te kijken naar dat vat vol tegenstrijdigheden dat we vaak zijn. Naar al die passies, die ons in de greep kunnen krijgen en die onze waarneming kunnen vertroebelen: hebzucht, afgunst, ongeduld, woede en vul zelf maar aan. Al die ‘diabolische’ krachten die ons uit ons evenwicht kunnen brengen. Ze werpen je uiteen, zoals de duivel (‘uiteenwerper’, diabolos in het Grieks) dat in de woestijn bij Jezus probeerde te doen. Ze houden je ervan af een mens uit één stuk te zijn, in balans met jezelf, tussen al je bezigheden door, in een eenheid met je omgeving en met God.
Daartoe willen die veertig dagen voor Pasen ons, denk ik, uitnodigen. Tot zo’n reis naar binnen. Een reis waarvan de mysticus Dag Hammarskjöld (1905-1961) verklaarde dat het, van al z’n reizen, z’n langste was geweest.
Langer dan al zijn ‘uiterlijke reizen’, onder meer als algemeen secretaris van de VN, was zijn ‘innerlijke reis’. Zijn zoektocht naar een zinvol bestaan, waarvan hij verslag deed in het boek ‘Merkstenen’, zijn geestelijke reisboek. Geleidelijk aan wist hij zijn eenzaamheid steeds beter om te smeden tot een “keuze voor het leven”, voor een dienstbaar, productief leven. Hoe lang die innerlijke reis ook duurde, de laatste aantekening in zijn dagboek klinkt hoopvol:

De seizoenen wisselden
en het licht
en het weer
en het uur.
Maar dit is hetzelfde land. E
n ik begin de kaart te kennen
en de windstreken.’

Sigrid Coenradie