De ogen van het geloof

Begin mei was er een Amerikaanse doopsgezinde (Mennoniet) in het Penninckshuis op bezoek. Arjen Meihuizen en ik ontvingen hem op een stralende maandagochtend. Hij stond versteld van “ons” kerkgebouw, maar was vooral geïnteresseerd in het gebouw aan de overkant van de Brink. Daar waren, zo wist hij, Deventer doopsgezinde martelaren omgebracht. Het verbaasde me dat iemand daarvoor helemaal van over de plas naar Deventer gekomen was. En het maakte nog meer indruk dat hij vele foto’s maakte van de martelaarsplek van weleer, waar nu niet anders te zien is dan restaurant El Popo. Daar viel toch eigenlijk niets te zien?
Onze gast toonde zich echter in het geheel niet teleurgesteld. Of hij nog eens terug mocht komen om de namen op te lezen van degenen die waren omgebracht? Maar natuurlijk, riepen Arjen en ik in koor.
Zien wat er niet (meer) is. Dat deed me denken aan een reis die mijn moeder na haar pensionering maakte naar Indonesië, het land waar zij tot haar 18e jaar gewoond had. Omdat mijn grootvader bij de Indische spoorwegen werkte, verhuisde mijn familie om de twee jaar. Zij woonden o.a. in Bandung, Madioen, Djokjakarta, Semarang. Mijn moeder kwam enthousiast thuis na een bezoek aan haar geboorteland. “Alles is nog precies zoals vroeger; niets veranderd. Alle huizen stonden er nog.”
De foto’s, die ik pas na haar dood vond, wezen anders uit. Het waren El Popo afbeeldingen, waarop soms een garage te zien was, of een grasveldje met mangobomen. Het kon voor het verbeeldingsloze oog ook niet waar zijn dat de tand des tijds, dat het leven, niet getornd had aan de werkelijkheid. Maar met de ogen van het geloof valt de herinnering over het beeld heen. Op die heilige plek zie je weer precies voor je hoe het was. De plek ademt de geest van toen.
Zien met de ogen van het geloof. Dat is iets dat we in deze tijd van ‘meten is weten’ (en de rest valt daarbuiten en is dus niet echt) opnieuw moeten ervaren. De leerlingen van Jezus gaat pas met Pinksteren, 50 dagen na Jezus’ dood, het licht op: hij is er nog, want hij inspireert ons. En hoe! En ze raakten er niet over uitgepraat. En ze leefden in de (Heilige) Geest van Jezus voort.
In een van de laatste boeken uit de Harry Potter reeks heeft Harry (in een droom?) een ontmoeting met zijn overleden leermeester en vaderfiguur Perkamentus. Deze legt hem uit hoe de situatie in de strijd met Voldemort (het kwaad) in elkaar steekt. Ongeveer zoals Jezus aan de leerlingen op weg naar Emmaus de schrift uitlegt. Hij steekt Harry een hart onder de riem en inspireert hem om om te keren en de eindstrijd met het kwaad aan te gaan. Voor hij vertrekt heeft Harry nog één vraag: “gebeurt dit allemaal werkelijk?” “Nee, natuurlijk niet”, antwoordt Perkamentus, “maar is het daarom minder echt?”
De bronnen van ons leven hebben we vaak van horen zeggen. Het zijn verhalen waaruit we kunnen putten, waaraan we ons optrekken, die we met elkaar delen, die uiteindelijk van ultiem belang zijn voor ons leven en samenleven. Zien met de ogen van het geloof. Dat is de lente verwachten op een grauwe winterdag, de vrede verwachten als politieke leiders bevolkingsgroepen uitsluiten, de wereld die je zou willen voor je zien en daar alvast maar naar toe leven.

Sigrid Coenradie