Als een mantel om mij heengeslagen

Als je ouder wordt ga je vaker terugkijken op je leven. Je maakt als het ware de balans op. Wat ging er goed? Wat kon er beter? Wat is mijn eigen aandeel daarin? Ik sprak een vrouw die haar leven vergeleek met een kleed, dat langzaam geweven was tijdens haar leven. Haar leven begon met een rode draad. Die kleur staat voor de liefde die ze als kind van haar ouders ontving. Al gauw kwamen daar draden van andere kleuren bij: de staalblauwe bijvoorbeeld, voor de groepjes op het schoolplein, die haar niet mee lieten spelen. De groene van het schooltuintje, waarin ze bonen kweekte. Ze herinnert zich levendig hoe verbaasd ze was toen uit hele kleine bonen zulke grote planten groeiden. Zo raakte ze al vroeg vertrouwd met de natuur, een vertrouwen dat voor haar in de loop der jaren een religieuze betekenis heeft gekregen. De roze draad is voor de kalverliefdes op de middelbare school, de paarse voor de verwarring en wanhoop die ze ervoer toen ze verhuisde na de scheiding van haar ouders. De witte draad voor haar huwelijk, en donkere kleuren, grijs en bruin, zijn voor de werkloosheid en ziekte die haar man troffen. Terugkijkend op haar leven heeft ze een veelkleurig kleed zien ontstaan, met bonte en fletse gebeurtenissen, vreugde en verdriet, angst en vertrouwen, intimiteit en vervreemding. Sommige stukjes zou ze eruit willen knippen, vertelt ze. En sommige gaten zou ze willen stoppen, met restjes stof desnoods. Die periodes in mijn leven zou ik over willen doen. Maar niet alles, want ik heb juist ook door tegenslagen geleerd. Dus mogen andere gaten gerust open blijven. Ze hebben, achteraf gezien, de weg geopend voor een nieuwe start. Het is een mooi kleed geworden. Dat kleed zou ik af en toe wel om willen slaan, zegt ze, “als een mantel om mij heen geslagen”, als die zin in een tekst van Huub Oosterhuis (lied 221). En als ik er niet meer ben, mag het mee in mijn kist. Tot nu toe had ik haar kleed als iets uit het rijk van de verbeelding beschouwd, maar ze blijkt alles wat haar in haar leven gevormd heeft daadwerkelijk in een geweven kleed te willen visualiseren. Vanuit haar slaapkamer komt ze aanzetten met een prachtig kleed, met inderdaad veel kleuren en ook met een paar gaten. Wanneer doe je hem om?, vraag ik. Eigenlijk is hij nog niet af, vertelt ze. Eigenlijk zou ik er franjes aan willen maken. Welke kleur? Gouddraad. Dat staat voor het licht dat altijd weer de kop op stak, ook al zag ik het soms niet meer zitten. Maar dan gebeurde er weer iets dat mijn zorg nodig had, of er kwam onverwachts een vriendin op mijn pad. Goud is, meer dan wit, een kleur met glans. Het symboliseert hoe mijn leven glans heeft gekregen, verfraaid is door iets dat groter is dan mijzelf. We praten door over hoe ze die momenten beleefd heeft. Hoe ze houvast heeft aan haar kleed, hoe dierbaar het was om eraan te werken. Hoe ze de dankbaarheid voor haar leven kan doorvoelen als ze ernaar kijkt. Een week later las ik een overweging van een doopsgezinde collega. Het ging over de veelkleurige kralen die je aan een ketting kunt rijgen die je leven verbeeldt. De kleuren van de kralen staan, net als de kleur van de draden, voor een bepaald gevoel bij verschillende perioden in het leven. Een kleed kun je omslaan, een kralensnoer kun je omdoen, of, wie weet, als een soort gebedskleed of gebedssnoer gebruiken. Want, achteraf gezien, is de Eeuwige nooit ver weg (geweest) in ons bestaan.
Sigrid Coenradie